Introductie in besmettingsgevaar
In de uitvaartbranche kunnen medewerkers in aanraking komen met stoffen die de gezondheid kunnen schaden, bij omgang met overledenen, in de schoonmaak of bij desinfectie. Dit kan leiden tot acute schade, het oplopen van een allergie of schade op lange termijn. Je kunt denken aan: verpakte gevaarlijke stoffen, biologische agentia, straling en formaldehyde (bij repatriëring uit het buitenland).
Wat zijn de risico’s bij besmettingsgevaar?
De risico’s bij besmettingsgevaar zijn per proces beschreven:
Huisdieren – overbrenging
Maak afspraken over de aanwezigheid van gevaarlijke dieren, bijvoorbeeld de hond in een aparte ruimte tijdens de overbrenging.
Blootstelling agentia-overbrenging
Iedere overledene dient als besmettelijk te worden beschouwd. Preventieve maatregelen om blootstelling te voorkomen aan biologische agentia (micro-organismen als bacteriën, virussen en schimmels) zijn dus zeer belangrijk.
Het gaat om micro-organismen die voor het blote oog onzichtbaar zijn en zich heel snel kunnen vermenigvuldigen. Alle handelingen met een overledene worden uitgevoerd door medewerkers die op de hoogte zijn van de risicoaspecten rond de laatste verzorging en het overbrengen van overledenen. Vanuit hun ervaring en/of opleiding beschikken zij over voldoende deskundigheid. De verantwoordelijke leidinggevende beoordeelt dit. Is de deskundigheid (nog) beperkt dan besluit de leidinggevende of de medewerker met of zonder regelmatig toezicht of begeleiding van een deskundige, bepaalde werkzaamheden mag uitvoeren (leertraject).
De werkgever moet werknemers die met biologische agentia werken een arbeidsgezondheidskundig onderzoek aanbieden. Mensen kunnen namelijk zeer verschillende lichamelijke reacties hebben op blootstelling. Ook tijdens verzuimbegeleiding en spreekuur moet er specifieke aandacht zijn voor biologische agentia, als deze op het werk kunnen voorkomen.
Eten en drinken is tijdens het overbrengen van overledenen niet toegestaan. Bij het overbrengen van overledenen van ziekenhuizen, verpleegtehuizen en van huis worden bij voorkeur van tevoren afspraken gemaakt over het vooraf verwijderen van o.a. infusen, slangen en katheters en over het afdekken van wonden.
Het overbrengen van verkeersslachtoffers, slachtoffers van een onnatuurlijke dood of vinding en van een overledene in staat van ontbinding, brengt meer risico met zich mee, dan gelden extra hygiënemaatregelen.
Instructies
Bijzondere handelingen, zoals het verwijderen van katheters en slangen, worden in het uitvaartcentrum uitgevoerd.
Algemeen
- Alleen de meest noodzakelijk handelingen mogen verricht worden;
- breng altijd incontinentiemateriaal aan uit voorzorg;
- bij gemorste lichaamsvloeistoffen dient het oppervlak gereinigd en gedroogd te worden en daarna gedesinfecteerd met chlooroplossing of alcohol 70%.
- De ruimte in de auto waarin de overledene ligt, moet goed geventileerd en (zomers) gekoeld worden.
Overbrengen in bijzondere situaties
Lichaam niet meer intact
- Draag extra stevige lange huishoudhandschoenen over de nitril-handschoenen;
- draag een gelaatscherm;
- draag een vloeistofdicht disposable overall;
- draag (witte) laarzen;
- handel zorgvuldig met resten/delen van het lichaam ter voorkoming van verwonding of contact met lichaamsvloeistoffen;
- maak gebruik van een speciale lichaamshoes. In veel gevallen zal de overledene niet meer aan de familie worden getoond. Echter, intacte lichaamsresten kunnen voor nabestaanden veel betekenen.
In verregaande staat van ontbinding
Het kan zijn dat een overledene reeds lang overleden is voordat deze in huis gevonden word of dat de overledene in het water heeft gelegen. Hierdoor is het ontbindingsproces in gang gezet.
- Draag een FFP2 masker met koolstoffilter;
- gebruik zo nodig een schepbrancard;
- het lichaam is vaak opgezwollen en wordt pas in de verzorgingsruimte van vocht ontdaan.
Straling – cremeren
Als iemand voor het overlijden is behandeld met radionucliden, kan dit een gezondheidsrisico opleveren voor medewerkers die betrokken zijn bij het crematieproces.
In de gezondheidszorg wordt ioniserende straling toegepast voor de behandeling van met name kankerpatiënten.
Jodium 125 (I-125):
Wordt gebruikt bij de behandeling van prostaatkanker. Hierbij worden kleine ‘zaadjes’ met I-125 in de prostaat geplaatst. Het lichaam zendt dan straling uit.
Indien iemand binnen 1 jaar na de behandeling met I-125 wordt gecremeerd, dient vooraf de prostaat te worden verwijderd (waarmee het implantaat wordt verwijderd).
Zou dit niet gebeuren, dan breekt het implantaat open in de oven en raakt het as besmet met radioactief materiaal. Dit vormt een risico voor crematoriummedewerkers bij de asbehandeling.
De I-125-zaadjes worden ook gebruikt bij lokalisatie van borsttumoren. Hierbij zijn het aantal zaadjes en de activiteit beperkt, waardoor er geen beperkingen zijn voor crematie en geen aanvullende voorzorgsmaatregelen nodig zijn, ook niet voor zwangere medewerkers.
Diverse radionucliden worden gebruikt bij kankerbehandelingen (soms ook bij goedaardige aandoeningen). Ze worden via een infuus, pil of slok toegediend. Ook hier zendt het lichaam straling uit.
Heeft therapie met open radioactieve stoffen korter dan 1 jaar voor overlijden plaatsgevonden? Neem contact op met de stralingsdeskundige van het ziekenhuis waar de overledene behandeld is en informeer of maatregelen noodzakelijk zijn bij crematie.
Meer informatie over straling is te vinden op de website van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Blootstelling agentia – laatste verzorging
Iedere overledene dient als besmettelijk te worden beschouwd. Preventieve maatregelen om blootstelling aan biologische agentia (micro-organismen zoals bacteriën, virussen en schimmels) te voorkomen, zijn dus zeer belangrijk.
Het gaat om micro-organismen die voor het blote oog onzichtbaar zijn en zich heel snel kunnen vermenigvuldigen. Alle handelingen met een overledene worden uitgevoerd door medewerkers die op de hoogte zijn van de risicoaspecten rond de laatste verzorging en het overbrengen van overledenen. Vanuit hun ervaring en/of opleiding beschikken zij over voldoende deskundigheid. De verantwoordelijke leidinggevende beoordeelt dit. Is de deskundigheid (nog) beperkt, dan besluit de leidinggevende of de medewerker met of zonder regelmatig toezicht of begeleiding van een deskundige bepaalde werkzaamheden mag uitvoeren (leertraject).
De werkgever moet werknemers die met biologische agentia werken een arbeidsgezondheidskundig onderzoek aanbieden. Mensen kunnen namelijk zeer verschillende lichamelijke reacties hebben op blootstelling. Ook tijdens verzuimbegeleiding en spreekuur moet er specifieke aandacht zijn voor biologische agentia, als deze op het werk kunnen voorkomen.
Algemene richtlijnen bij verzorging:
- Trek beschermende kleding aan: een goed te reinigen en goed sluitende witte jas of disposable jas met daarover eventueel een wegwerpschort.
- Kies bij het gebruik van schadelijke stoffen altijd voor het minst schadelijke alternatief.
- Ventileer als gebruik wordt gemaakt van schadelijke stoffen zoals formaline, chloor en alcohol.
- Indien de ventilatie onvoldoende is, of bij behandeling van grote lichaamsoppervlakken met formaline, dient een FFP2-masker met koolstoffilter (tegen zure geuren) te worden gebruikt.
- Gebruik alleen schone instrumenten en materialen.
- Draag speciaal schoeisel (bijv. witte veiligheidsklompen) of stevige, gesloten schoenen met wegwerpoverschoenen tijdens de verzorging van een overledene in de verzorgingsruimte in het uitvaartcentrum of mortuarium.
- De persoonlijke beschermingsmiddelen mogen alleen in de verzorgingsruimte gedragen worden. Gooi wegwerpschorten, overschoenen e.d. weg alvorens de ruimte te verlaten.
- Raak tijdens verzorging geen deurkrukken, kranen, telefoon, schrijfgerei en personen aan.
- Zijn er kleine verwondingen of huiduitslag bij medewerkers, plak deze dan af met waterbestendige pleisters en vervang deze na het handen wassen door schone.
- Heeft een medewerker grotere open verwondingen aan de handen, dan moet contact met de overledene vermeden worden.
Prik-, snij- en spataccidenten
Als een prik-, snij- of spataccident plaatsvindt, is het belangrijk dit altijd en zo spoedig mogelijk te melden bij de werkgever. Bij een dergelijk accident bestaat de kans om besmet te raken met hepatitis B, hepatitis C of HIV. De kans op besmetting met hepatitis C of HIV is kleiner dan met hepatitis B, maar niet uitgesloten.
Vaccinatie tegen hepatitis C of HIV is nog niet mogelijk. Daarom geldt ook voor medewerkers die gevaccineerd zijn tegen hepatitis B de noodzaak om accidenten zo snel mogelijk te melden.
Daarnaast is het belangrijk dat accidenten worden geregistreerd door de werkgever. Jaarlijks moet een verplichte prikaccidentenregistratie worden opgesteld en inzichtelijk zijn voor de Nederlandse Arbeidsinspectie.
Daar waar een prikaccident zich kan voordoen, is een 24-uurs meldpunt noodzakelijk waar laagdrempelig gemeld kan worden en volgens het landelijk prikaccidentenprotocol een professionele risicobeoordeling plaatsvindt. De getroffen medewerker moet zich binnen twee uur melden bij de arts via dit meldpunt.
Bij mensen die niet gevaccineerd zijn tegen hepatitis B en een prik-, snij- of spataccident hebben, dient binnen 24 uur gestart te worden met vaccinatie en/of toediening van immunoglobuline (antistoffen). Een prik-, snij- of spataccident veroorzaakt psychische stress; nazorg moet daarom worden geboden.
Hoe te handelen bij een accident met bloed, lichaamsvloeistoffen of micro-organismen:
- Laat de wond bloeden.
- Was met water en zeep.
- Desinfecteer met alcohol 70%.
- Raadpleeg binnen 2 uur een arts.
- Start binnen 24 uur met vaccinatie en/of immunoglobuline (bij niet-gevaccineerde of non-responder).
Wat te doen bij een spataccident op slijmvliezen (zoals ogen, mond of neus):
- Neus snuiten en bloed in de mond uitspugen.
- Goed spoelen met fysiologisch zout of leidingwater.
- Raadpleeg binnen 2 uur een arts.
- Start binnen 24 uur met vaccinatie en/of immunoglobuline (bij niet-gevaccineerde of non-responder).
Wat te doen bij een spataccident op gave huid of gesloten wonden:
- Was met water en zeep.
- Desinfecteer met (hand)alcohol.
- Raadpleeg binnen 2 uur een arts.
- Start binnen 24 uur met vaccinatie en/of immunoglobuline (bij niet-gevaccineerde of non-responder).
Infusen:
- Koppel de infuusslang af van de infuusnaald. Voorkom het morsen van lichaamsvloeistoffen. Indien dit toch gebeurt, neem het vocht direct op met papier.
- Reinig, droog en desinfecteer daarna de vervuilde plek met chlooroplossing of alcohol 70%.
- Laat de infuusnaald zitten.
- Plak de opening af met een pleister.
- Een infuus in een ader net boven het sleutelbeen mag niet verwijderd worden.
Urine-opvangzak:
- Laat de katheterslang zitten.
- Klem de katheterslang af met een kocher of klemmetje en laat dit zitten.
- Koppel de urine-opvangzak af en vermijd morsen.
- Leeg de urine-opvangzak direct in het toilet (in ziekenhuis/verpleeghuis in de bedpanspoeler of urinezaksnijder).
- Deponeer de lege urinezak samen met de handschoenen in een plastic afvalzak.
Neusmaag- of maagsonde (door de buik):
- Indien aanwezig: koppel het toedieningssysteem af.
- Sluit de sonde af met een dopje of plak deze af.
Tracheacanule:
- Laten zitten.
Darm- en/of urinestoma:
- Zakje(s) goed vastplakken of vervangen zodat deze tijdens vervoer niet kunnen lekken.
Pacemaker of ICD-defibrillator:
- Laten zitten.
Open wonden:
- Dek de open wonden af met wondverband of absorberend verband.
- Controleer na het afdekken van de wond op mogelijke lekkage van wondvocht.
Straling – laatste verzorging
Als iemand voor het overlijden is behandeld met radionucliden, kan dit een gezondheidsrisico opleveren voor medewerkers die betrokken zijn bij de laatste verzorging.
In de gezondheidszorg wordt ioniserende straling toegepast voor de behandeling van met name kankerpatiënten.
Jodium 125 (I-125):
Wordt gebruikt bij de behandeling van prostaatkanker. Hierbij worden kleine ‘zaadjes’ met I-125 in de prostaat geplaatst. Het lichaam zendt straling uit.
Indien iemand binnen 1 jaar na de behandeling met I-125 wordt gecremeerd, dient vooraf de prostaat te worden verwijderd.
De I-125-zaadjes worden ook gebruikt bij lokalisatie van borsttumoren. Hierbij zijn het aantal zaadjes en de activiteit beperkt, waardoor er geen beperkingen zijn voor crematie en geen aanvullende voorzorgsmaatregelen nodig zijn, ook niet voor zwangere medewerkers.
Diverse radionucliden worden gebruikt bij kankerbehandelingen (soms ook bij goedaardige aandoeningen). Ze worden via een infuus, pil of slok toegediend. Ook hier zendt het lichaam straling uit.
Als therapie met open radioactieve stoffen korter dan 1 jaar voor overlijden heeft plaatsgevonden, moet met de stralingsdeskundige van het ziekenhuis worden overlegd of maatregelen noodzakelijk zijn.
Wanneer iemand kort voor het overlijden van buitenaf is bestraald of behandeld is met immuuntherapie, heeft dit geen effect op de gezondheid van medewerkers.
Meer informatie over straling is te vinden op de website van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Huisdieren – huisbezoek
Maak afspraken over de aanwezigheid van gevaarlijke dieren, bijvoorbeeld de hond in een aparte ruimte tijdens het bezoek van de uitvaartverzorger.
Meer weten
Wilt u meer weten over besmettingsgevaar, klik hier voor hoofdstuk 2.3 uit de arbocatalogus.