Introductie in laatste verzorging
Nadat een overledene is doodverklaard door een arts, wordt de overledene volgens zijn wens gewassen, verzorgd en aangekleed. Eerst wordt nog gecontroleerd of de overledene orgaandonor is of een pacemaker of ICD-defibrillator heeft die verwijderd moet worden. Meestal worden tijdens de laatste verzorging de ogen en de mond gesloten. De laatste verzorging wordt vaak gedaan door een uitvaartmedewerker, soms samen met een of meer nabestaanden.
Als het lichaam erg beschadigd is, kan reconstructie noodzakelijk zijn. De levensovertuiging van de overledene kan specifieke eisen stellen, bijvoorbeeld een rituele wassing vereisen, bijvoorbeeld bij moslims en hindoes.
Speciale aandacht is vereist bij de verzorging in thuissituaties. Als het lichaam niet meer intact is, is een speciale verzorgingsruimte vereist.
De laatste verzorging van een overledene met (ernstig) lichamelijke verwondingen brengt speciale risico’s met zich mee. Denk daarbij aan zelfdoding, slachtoffers van geweld, verkeersslachtoffers, overledenen in staat van ontbinding (zogenaamde vindingen), open benen, blaren en doorligplekken.
Wat zijn de risico’s bij de laatste verzorging?
De laatste verzorging kent 4 risicogebieden:
Tillen en dragen – laatste verzorging
Als een medewerker zwaarder dan 25 kilo moet tillen, moeten er goede transport- en hulpmiddelen zijn. Vul bij twijfel over overbelasting de checklist fysieke belasting in:
https://fysiekebelasting.tno.nl/nl/instrumenten/checklist-fysieke-belasting/
Blijkt uit de checklist een risico op het gebied van tillen? Voer dan een vervolgonderzoek uit met de NIOSH-methode.
Blijkt uit de checklist een risico op het gebied van dragen? Voer dan een vervolgonderzoek uit met de KIM-methode dragen.
Regels voor veilig tillen en dragen:
- Voorkom onnodig zwaar tillen door afspraken over aangeleverde gewichten te maken met de afdeling inkoop en de leveranciers.
- Maak afspraken met bloemisten om groter rouwbloemwerk in delen aan te leveren.
- Til en draag niet onnodig, gebruik gezond verstand.
- Maak gebruik van de beschikbaar gestelde tilhulpmiddelen.
- Zorg dat hulpmiddelen zoals rolwagen en invoerwagen op elkaar aansluiten.
- Bedenk vooraf hoe en waarheen de last wordt verplaatst; houd rekening met mogelijke obstakels op de transportroute.
- Schat vooraf het gewicht in; til niet te veel ineens.
- Vraag collega’s om hulp bij het tillen en dragen van zware lasten; maak bij gezamenlijk tillen afspraken vooraf over commando’s, de plaats waar een ieder de handen zet en de route.
- Buk door heupen en knieën te buigen, houd de rug recht, til daarna door de heupen en knieën te strekken.
- Til met twee handen zo dicht mogelijk bij het lichaam.
- Til niet hoger dan schouderhoogte.
- Span rug- en buikspieren aan, buig de ellebogen en trek de bovenarmen tegen het lichaam aan.
- Houd steeds de rug recht; verplaats de voeten tijdens draaien, draai nooit vanuit de rug.
- Beweeg langzaam, ook tijdens lopen; gebruik stroeve schoenen voor grip.
- Luister naar het lichaam; neem signalen serieus.
Cursus
Zorg dat je een cursus tiltechnieken gevolgd hebt.
Als de laatste verzorging door één medewerker wordt uitgevoerd:
- Zorg dat de overledene niet getild wordt door één persoon, maar draai de overledene.
- Als de rigor mortis nog niet is ingetreden, kent het lichaam twee draaipunten: de heup en de schouders. Om het lichaam te draaien, dient de knie die het verst van de medewerker vandaan is te worden gebogen en over het recht liggende been heen getrokken te worden. Hierbij wordt het been als hefboom gebruikt (denk aan stabiele zijligging). De overledene draait nu zonder al te veel moeite op de zijde.
- Een overledene waarbij de rigor mortis is ingetreden, kan door de medewerker gedraaid worden door de overledene bij de draaipunten (heup en schouder) te vatten en naar zich toe te trekken. Het draaien is zwaarder dan bij een overledene waar de rigor mortis nog niet is ingetreden.
- Maak gebruik van hulpmiddelen om de overledene te kunnen verplaatsen door schuiven.
Inrichtingseisen verzorgingsruimte:
- In hoogte verstelbare behandeltafel.
- Lift voor het plaatsen van de overledene in de kist.
Laatste verzorging met verhoogd risico
De laatste verzorging van een overledene met (ernstige) lichamelijke verwondingen brengt speciale risico’s met zich mee en vindt bij voorkeur plaats in de verzorgingsruimte van een uitvaartcentrum. Als het lichaam niet meer intact is, moet het naar een hiervoor geschikt uitvaartcentrum of mortuarium gebracht worden.
Laatste verzorging – duwen en trekken
Duwen en trekken is van toepassing bij het verwijderen van de kleding en het aankleden van de overledene. Ook om rolwagens te verrijden moet geduwd of getrokken worden. Soms is daar weinig kracht voor nodig, maar soms ook veel, wat zorgt voor overbelasting. Het risico van overbelasting is nog groter als de last door de medewerker ineens met een grote krachtsinspanning in beweging wordt gebracht. Duwen en trekken zijn vooral belastend voor de armen, schouders en rug. Overbelasting openbaart zich meestal in het schoudergebied.
Vul bij twijfel over overbelasting de checklist fysieke overbelasting in:
https://fysiekebelasting.tno.nl/nl/instrumenten/checklist-fysieke-belasting/
Blijkt een risico op het gebied van duwen en trekken? Voer dan een vervolgonderzoek uit met de KIM-methode duwen en trekken.
Tips om duwen en trekken minder belastend te maken:
- Verwijder obstakels van de werkvloer.
- Zorg dat de hulpmiddelen goed onderhouden worden.
- Duw indien mogelijk; duwen is lichamelijk minder zwaar dan trekken.
- Gebruik waar mogelijk twee armen.
- Duw of trek niet ineens met alle kracht, maar bouw dit langzaam op.
- Zorg bij duwen en trekken voor een harde vloer zonder drempels.
- Plaats deuren die automatisch openen in routes die vaak gebruikt worden.
- Gebruik wagens met kogellagers in de wielen.
- Gebruik elektrisch aangedreven rolwagens.
Handelingen & Hulpmiddelen
Onder bovenstaande risico’s worden verschillende handelingen en hulpmiddelen genoemd. Er zijn diversie e-learnings beschikbaar voor een toelichting op het uitvoeren van de handelingen en het gebruik van de hulpmiddelen:
Blootstelling agentia – laatste verzorging
Iedere overledene dient als besmettelijk te worden beschouwd. Preventieve maatregelen om blootstelling aan biologische agentia (micro-organismen zoals bacteriën, virussen en schimmels) te voorkomen, zijn dus zeer belangrijk.
Het gaat om micro-organismen die voor het blote oog onzichtbaar zijn en zich heel snel kunnen vermenigvuldigen. Alle handelingen met een overledene worden uitgevoerd door medewerkers die op de hoogte zijn van de risicoaspecten rond de laatste verzorging en het overbrengen van overledenen. Vanuit hun ervaring en/of opleiding beschikken zij over voldoende deskundigheid. De verantwoordelijke leidinggevende beoordeelt dit. Is de deskundigheid (nog) beperkt, dan besluit de leidinggevende of de medewerker met of zonder regelmatig toezicht of begeleiding van een deskundige bepaalde werkzaamheden mag uitvoeren (leertraject).
De werkgever moet werknemers die met biologische agentia werken een arbeidsgezondheidskundig onderzoek aanbieden. Mensen kunnen namelijk zeer verschillende lichamelijke reacties hebben op blootstelling. Ook tijdens verzuimbegeleiding en spreekuur moet er specifieke aandacht zijn voor biologische agentia, als deze op het werk kunnen voorkomen.
Algemene richtlijnen bij verzorging:
- Trek beschermende kleding aan: een goed te reinigen en goed sluitende witte jas of disposable jas met daarover eventueel een wegwerpschort.
- Kies bij het gebruik van schadelijke stoffen altijd voor het minst schadelijke alternatief.
- Ventileer als gebruik wordt gemaakt van schadelijke stoffen zoals formaline, chloor en alcohol.
- Indien de ventilatie onvoldoende is, of bij behandeling van grote lichaamsoppervlakken met formaline, dient een FFP2-masker met koolstoffilter (tegen zure geuren) te worden gebruikt.
- Gebruik alleen schone instrumenten en materialen.
- Draag speciaal schoeisel (bijv. witte veiligheidsklompen) of stevige, gesloten schoenen met wegwerpoverschoenen tijdens de verzorging van een overledene in de verzorgingsruimte in het uitvaartcentrum of mortuarium.
- De persoonlijke beschermingsmiddelen mogen alleen in de verzorgingsruimte gedragen worden. Gooi wegwerpschorten, overschoenen e.d. weg alvorens de ruimte te verlaten.
- Raak tijdens verzorging geen deurkrukken, kranen, telefoon, schrijfgerei en personen aan.
- Zijn er kleine verwondingen of huiduitslag bij medewerkers, plak deze dan af met waterbestendige pleisters en vervang deze na het handen wassen door schone.
- Heeft een medewerker grotere open verwondingen aan de handen, dan moet contact met de overledene vermeden worden.
Prik-, snij- en spataccidenten
Als een prik-, snij- of spataccident plaatsvindt, is het belangrijk dit altijd en zo spoedig mogelijk te melden bij de werkgever. Bij een dergelijk accident bestaat de kans om besmet te raken met hepatitis B, hepatitis C of HIV. De kans op besmetting met hepatitis C of HIV is kleiner dan met hepatitis B, maar niet uitgesloten.
Vaccinatie tegen hepatitis C of HIV is nog niet mogelijk. Daarom geldt ook voor medewerkers die gevaccineerd zijn tegen hepatitis B de noodzaak om accidenten zo snel mogelijk te melden.
Daarnaast is het belangrijk dat accidenten worden geregistreerd door de werkgever. Jaarlijks moet een verplichte prikaccidentenregistratie worden opgesteld en inzichtelijk zijn voor de Nederlandse Arbeidsinspectie.
Daar waar een prikaccident zich kan voordoen, is een 24-uurs meldpunt noodzakelijk waar laagdrempelig gemeld kan worden en volgens het landelijk prikaccidentenprotocol een professionele risicobeoordeling plaatsvindt. De getroffen medewerker moet zich binnen twee uur melden bij de arts via dit meldpunt.
Bij mensen die niet gevaccineerd zijn tegen hepatitis B en een prik-, snij- of spataccident hebben, dient binnen 24 uur gestart te worden met vaccinatie en/of toediening van immunoglobuline (antistoffen). Een prik-, snij- of spataccident veroorzaakt psychische stress; nazorg moet daarom worden geboden.
Hoe te handelen bij een accident met bloed, lichaamsvloeistoffen of micro-organismen:
- Laat de wond bloeden.
- Was met water en zeep.
- Desinfecteer met alcohol 70%.
- Raadpleeg binnen 2 uur een arts.
- Start binnen 24 uur met vaccinatie en/of immunoglobuline (bij niet-gevaccineerde of non-responder).
Wat te doen bij een spataccident op slijmvliezen (zoals ogen, mond of neus):
- Neus snuiten en bloed in de mond uitspugen.
- Goed spoelen met fysiologisch zout of leidingwater.
- Raadpleeg binnen 2 uur een arts.
- Start binnen 24 uur met vaccinatie en/of immunoglobuline (bij niet-gevaccineerde of non-responder).
Wat te doen bij een spataccident op gave huid of gesloten wonden:
- Was met water en zeep.
- Desinfecteer met (hand)alcohol.
- Raadpleeg binnen 2 uur een arts.
- Start binnen 24 uur met vaccinatie en/of immunoglobuline (bij niet-gevaccineerde of non-responder).
Infusen:
- Koppel de infuusslang af van de infuusnaald. Voorkom het morsen van lichaamsvloeistoffen. Indien dit toch gebeurt, neem het vocht direct op met papier.
- Reinig, droog en desinfecteer daarna de vervuilde plek met chlooroplossing of alcohol 70%.
- Laat de infuusnaald zitten.
- Plak de opening af met een pleister.
- Een infuus in een ader net boven het sleutelbeen mag niet verwijderd worden.
Urine-opvangzak:
- Laat de katheterslang zitten.
- Klem de katheterslang af met een kocher of klemmetje en laat dit zitten.
- Koppel de urine-opvangzak af en vermijd morsen.
- Leeg de urine-opvangzak direct in het toilet (in ziekenhuis/verpleeghuis in de bedpanspoeler of urinezaksnijder).
- Deponeer de lege urinezak samen met de handschoenen in een plastic afvalzak.
Neusmaag- of maagsonde (door de buik):
- Indien aanwezig: koppel het toedieningssysteem af.
- Sluit de sonde af met een dopje of plak deze af.
Tracheacanule:
- Laten zitten.
Darm- en/of urinestoma:
- Zakje(s) goed vastplakken of vervangen zodat deze tijdens vervoer niet kunnen lekken.
Pacemaker of ICD-defibrillator:
- Laten zitten.
Open wonden:
- Dek de open wonden af met wondverband of absorberend verband.
- Controleer na het afdekken van de wond op mogelijke lekkage van wondvocht.
Straling – laatste verzorging
Als iemand voor het overlijden is behandeld met radionucliden, kan dit een gezondheidsrisico opleveren voor medewerkers die betrokken zijn bij de laatste verzorging.
In de gezondheidszorg wordt ioniserende straling toegepast voor de behandeling van met name kankerpatiënten.
Jodium 125 (I-125):
Wordt gebruikt bij de behandeling van prostaatkanker. Hierbij worden kleine ‘zaadjes’ met I-125 in de prostaat geplaatst. Het lichaam zendt straling uit.
Indien iemand binnen 1 jaar na de behandeling met I-125 wordt gecremeerd, dient vooraf de prostaat te worden verwijderd.
De I-125-zaadjes worden ook gebruikt bij lokalisatie van borsttumoren. Hierbij zijn het aantal zaadjes en de activiteit beperkt, waardoor er geen beperkingen zijn voor crematie en geen aanvullende voorzorgsmaatregelen nodig zijn, ook niet voor zwangere medewerkers.
Diverse radionucliden worden gebruikt bij kankerbehandelingen (soms ook bij goedaardige aandoeningen). Ze worden via een infuus, pil of slok toegediend. Ook hier zendt het lichaam straling uit.
Als therapie met open radioactieve stoffen korter dan 1 jaar voor overlijden heeft plaatsgevonden, moet met de stralingsdeskundige van het ziekenhuis worden overlegd of maatregelen noodzakelijk zijn.
Wanneer iemand kort voor het overlijden van buitenaf is bestraald of behandeld is met immuuntherapie, heeft dit geen effect op de gezondheid van medewerkers.
Meer informatie over straling is te vinden op de website van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Desinfectie – laatste verzorging
Iedere overledene dient als besmettelijk te worden beschouwd.
Eten en drinken is tijdens het verzorgen van overledenen niet toegestaan.
Het verzorgen van verkeersslachtoffers, slachtoffers van een onnatuurlijke dood of vinding en van een overledene in staat van ontbinding brengt meer risico met zich mee.
Voor deze categorie geldt een aantal aanvullende hygiënemaatregelen.
Bijzondere handelingen, zoals het verwijderen van katheters en slangen, worden in het uitvaartcentrum uitgevoerd.
Formaldehyde – laatste verzorging
Bij repatriëring wordt de overledene in een houten kist en een zinken binnenkist gelegd. Om te zorgen dat het lichaam van een overledene na repatriëring nog in goede staat is, wordt in sommige landen bij het reisklaar maken van een overledene overvloedig gebruikgemaakt van formaldehyde.
Formaldehyde fixeert de structuur van de cel waardoor vocht de cel niet kan verlaten. Dit voorkomt lekkages en besmettingen. Formaldehyde levert een risico op voor de medewerker die de kist bij aankomst in Nederland opent.
Formaldehyde is opgenomen in de B-lijst van kankerverwekkende stoffen van SZW. Om die reden wordt in Nederland formaldehyde of formaline (oplossing van formaldehyde in water en methanol) in de uitvaartbranche nauwelijks gebruikt, met uitzondering van thanatopraxie (lichte balseming).
Indien een zinken kist na repatriëring in Nederland geopend moet worden en het is onbekend of bij het reisklaar maken formaldehyde is gebruikt, moet dit beschouwd worden als een potentieel gevaar. Om de uitvaartmedewerker te beschermen tegen kankerverwekkende formaldehydedampen is de standaardprocedure om de rouwkist door een gespecialiseerd bedrijf te laten openen.
Emotionele belasting – laatste verzorging
Het risico is dat medewerkers met sombere, neerslachtige gedachten blijven rondlopen in plaats van een gesprek aan te gaan met collega’s of de leidinggevende.
Hier ligt een belangrijke taak voor de leidinggevende, door:
- Gelegenheid te bieden om het hart te luchten als een medewerker het zwaar heeft;
- Regelmatig vragen naar hoe het gaat;
- Emotionele belasting bespreken in het teamoverleg;
- Emotionele belasting bespreken in het functioneringsgesprek;
- Bekend maken van andere kanalen om emotionele belasting te bespreken, zoals de bedrijfsmaatschappelijkwerker.
Tips voor de organisatie:
- Train leidinggevenden hoe om te gaan met medewerkers die moeite hebben met de emotionele belasting waaraan ze worden blootgesteld;
- Creëer een veilige werkatmosfeer waarin medewerkers worden aangemoedigd om over emoties te praten;
- Zorg dat ervaringen van medewerkers gedeeld worden.
Meer weten
Wilt u meer weten over laatste verzorging, klik hier voor hoofdstuk 3.1 uit de arbocatalogus.